UFR en doorsneepremie: een gevaarlijke cocktail

Het systeem van een doorsneepremie houdt in dat alle deelnemers van een pensioenfonds evenveel premie betalen als percentage van de pensioengrondslag. Hiermee wordt solidariteit afgedwongen tussen mannen en vrouwen, hoog- en laagopgeleiden, en jong en oud.

Met name de afgedwongen solidariteit tussen jong en oud is markant aanwezig in het pensioenstelsel met de doorsneepremie. Bij jongeren geldt dat de contante waarde van de opgebouwde rechten (in deze analyse gaan we uit van een opbouw van 2% van de pensioengrondslag), veel geringer is dan de betaalde premie, zo’n 17% van de grondslag. Deze premie behelst in deze analyse alleen het ouderdomspensioen. Inclusief nabestaandenpensioen is de premie zo’n 1,5 keer hoger, dus tegen de 25% van de grondslag (zie bijvoorbeeld de premie bij het ABP, deze is 24,1% van de pensioengrondslag).

Bij ouderen is dit net andersom, de waarde van hun opgebouwde rechten is hoger dan de betaalde premie van zo’n 17%.

Het verschil komt door de discontering van de te betalen pensioen: bij jongeren kunnen de pensioenuitkeringen over een langere periode verdisconteerd worden en bovendien hebben die een lagere kans om de gehele periode tot aan de pensioengerechtigde leeftijd te overleven dan een oudere die daar al veel dichterbij is.

De afgedwongen solidariteit tussen de generaties is niet zo’n probleem wanneer deelnemers hun gehele leven werkzaam zijn als werknemer. Nu de maatschappij echter aan het veranderen is, en alternatieve werkvormen steeds meer in opkomst zijn (ZZP’ers, hybride werken), begint het probleem knellend te worden. Iemand die eerst als jongere meespaart voor de oudere garde en vervolgens het systeem verlaat om vlak na zijn 40-ste een eigen bedrijf te beginnen, komt er erg bekaaid af. Het blijkt dat de invoering van de UFR dit probleem nog eens ernstig vergroot.

De situatie is samen te vatten in onderstaande figuur.

waarde van 1 jaar opbouw van pensioenrechten; bij opbouwpercentage van 2%, per 100 euro aan grondslag, per leeftijdsgroep; gebruikmakend van RTS DNB per ultimo augustus 2012 met horizontale extrapolatie en UFR-extrapolatie (stippellijn); horizontale zwarte lijnen: (gewogen) gemiddelde waarde met horizontale extrapolatie van de RTS en UFR-extrapolatie (stippellijn)

Toelichting op de grafiek: actuariële premie en pensioenwaarde bij een grondslag van 100 euro

In de uitgangssituatie gaan we uit van een pensioengrondslag van 100 euro. Van deze 100 euro wordt 2%, dus 2 euro, aan pensioenrechten opgebouwd. Die 2 euro worden uitgekeerd vanaf 65 jaar tot aan het levenseinde.

Deze kasstromen worden verdisconteerd met de rekenrente en met de sterftekansen. Gebruikmakend van de DNB rentetermijnstructuur (RTS) per ultimo augustus 2012 kunnen we de huidige waarde van deze kasstromen berekenen per leeftijdsgroep. Dit is de stijgende blauwe curve in de figuur. Het blijkt dat de waarde van de pensioenopbouw voor jonge deelnemers veel lager is dan die van oudere werknemers.

De gemiddelde waarde is 17 euro (dit is het niveau van de zwarte horizontale lijn). Maar zoals uit de grafiek blijkt kan de waarde voor jongeren onder de 10 euro uitkomen, terwijl deze voor ouderen meer dan 25 euro kan bedragen.

Conclusie: voor dezelfde uitkeringsstroom (2 euro vanaf pensionering) betalen jongeren en ouderen evenveel (17 euro), terwijl de actuariële waarde hiervan voor jongeren veel geringer is dan voor ouderen.

Invoering van de UFR

Uit de figuur blijkt ook dat de UFR de situatie verergert. De blauwe stippellijn, die de waarde van de uitkering van 2 euro vanaf pensionering weergeeft na invoering van de UFR, verloopt namelijk nog steiler dan die van de blauwe doorgetrokken lijn. Dat is goed te begrijpen om 2 redenen: (1) een verhoging van de rekenrente heeft meer invloed op de waarde van jongeren dan op die van ouderen, omdat voor jongeren de uitkering verder weg ligt en de kasstromen dus over meer jaren verdisconteerd worden, en (2) de UFR treedt pas in na het Last Liquid Point van 20 jaar. Dat maakt ook dat de UFR voor ouderen minder impact heeft dan voor jongeren.

In de nieuwe situatie zien we ook dat de gemiddelde waarde lager is komen te liggen (zwarte horizontale stippellijn), op het niveau van afgerond zo’n 15 euro. De actuariële premie is dus gedaald met zo’n 2 procentpunten. Dit is in lijn met de CPB studie die deel uitmaakt van de het septemberpakket, waarin het volgende wordt gesteld (mijn cursivering):

Bij ons min of meer gemiddelde pensioenfonds daalt de premie in 2013 bij de UFR 30-90 met 0,5%-punt, bij de UFR 20-60 met 2,1%-punt en bij de UFR 20-30 met 2,8%-punt.

Overigens zijn de gemiddeldes berekend door te wegen met het aandeel van de betreffende leeftijdsgroep in de totale pensioengrondslag. Deze gewichten zijn voor deze analyse met een eenvoudige parabolische curve vastgesteld met snijpunten door de x-as voor de leeftijden 21 en 65. Met deze eenvoudige modellering ontstaat een curve die voldoende lijkt op die zoals gerapporteerd door DNB (in de beschrijving van het palmnet model, p. 11).

Hoeveel bedraagt de transfer van economische waarde?

Om hoeveel geld gaat het dan? Het geld dat overgedragen wordt door de jongere generatie aan de oudere generatie?

Dat kan worden uitgerekend door eerst per leeftijd te berekenen hoeveel procent van de betaalde premie (17 euro) wordt aangewend voor de inkoop ten behoeve van het eigen pensioen (bij een 21-jarige is dat zo’n 9 euro) en hoeveel voor de solidariteit (bij een 21-jarige de resterende 8 euro). De volgende stap is het omzetten van deze solidariteitsbijdrage in een percentage (voor de 21-jarige is dat een transferpercentage van 8/17 = 47%). Dit percentage wordt vermenigvuldigd met het aandeel in de totale jaarlijkse pensioenpremie (momenteel zo’n 30 miljard euro; zie tabel t8.4 van DNB, in 2011 gaat het om 30,6 miljard euro) van de betreffende leeftijdsgroep.

Sommeren we deze premietransfers dan over alle relevant leeftijden (dus tot aan het punt waar de blauwe stijgende lijn en de horizontale zwarte lijn elkaar kruisen), dan komen we tot een totale transfer van economische waarde van ruim 3 miljard euro.

De vraag is al menigmaal gesteld of een dergelijke transfer van economische waarde houdbaar is, zeker gezien de eerder genoemde maatschappelijke veranderingen.

Maar wat blijkt: met de invoering van de UFR neemt deze transfer toe met een miljard euro tot ruim 4 miljard euro. Hebben de beleidsmakers zich dit gerealiseerd toen ze de UFR invoerden?

Gevaarlijke cocktail

De combinatie van UFR en doorsneepremie leidt ertoe dat bij een lage rente er een nog hoger beroep wordt gedaan op de solidariteit tussen generaties. En dat juist in een tijd waarbij er steeds meer vraagtekens bij de noodzaak en omvang van deze solidariteit worden gezet. Het zou goed zijn de UFR ook eens in dit opzicht te evalueren en om dan meteen de houdbaarheid van de doorsneepremie te bekijken.

Advertenties

Over Folpmers
Financial Risk Management consultant, manager van een FRM consulting department, bijzonder hoogleraar FRM

3 Responses to UFR en doorsneepremie: een gevaarlijke cocktail

  1. Edwin says:

    Beste Marco, bedankt voor het inzichtelijk/transparant maken, in concrete cijfers, van het effect van de doorsneepremie. Ben overtuigd dat het verstrekkend neven-effect van de UFR zwaar wordt onderschat.. Ben benieuwd wat het effect is van de onvermijdelijke kortingen op de pensioenrechten vanaf februari 2013. Is bij maximaal 7% korting sprake van een “dubbele” transfer van de economische waarde?

  2. Erik Daae says:

    Een onthutsende analyse die tot nadenken stemt.

  3. Ben Nijssen says:

    Wat niet geheel duidelijk tot uitdrukking komt: Hoe wordt premie bepaald?
    De UFR zou alleen voor de aanspraken moeten worden doorgerekend.
    De premiesystematiek behoort z’n eigen uitgangspunten te behouden, dus zonder de UFR daarin te betrekken.
    Wanneer opbouw conservatief tegen 2% wordt verdisconteerd en daarnaast, geheel onafhankelijk de VPV ( voorziening pensioenverplichting) voor aanspraken voorbij 20 jaar wordt “gecorrigeerd” naar geleidelijk 4,2% dan zie ik toch echt geen grote bezwaren.
    Bedenk dat dit slechts een gering deel van de verplichtingen betreft en dat de 20 jaarslijn steeds vooruit schuift. Op de veranderde vraag naar matching-producten hebben de markten al positief gereageerd met meer realistische lange rentes.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s