Ongewogen kapitaalsratio’s en nog hogere kapitaalsbuffers?!

Afgelopen week (18 oktober 2012) verscheen er een stuk van het Sustainable Finance Lab waar ik het hartgrondig mee oneens ben. Het pamflet (want dat is, er wordt eenzijdig beargumenteerd) is ondertekend door 13 vooraanstaande Nederlandse economen. Wie dat zijn is op de eerste pagina van het pamflet te vinden.

Het Sustainable Finance Lab (SFL) is in 2010 opgericht door onder meer Herman Wijffels (ex CEO van Rabobank, ex voorzitter van de SER en vele andere functies) en Peter Blom van de Triodos bank. Het doel van het SFL is:

Doel is het ontwikkelen van ideeën voor een daadwerkelijke verduurzaming van de financiële sector: een stabiele en robuuste financiële sector die bijdraagt aan een economie die de mens dient zonder daarbij zijn leefmilieu uit te putten. Hiervoor zijn meer fundamentele veranderingen nodig dan wat nu op de maatschappelijke agenda staat.

Het genoemde pamflet pleit voor fors hogere kapitaalsratio’s voor systeembanken, en wel gemeten met de ongewogen leverage ratio (‘hefboomratio’). Dat betekent dat de banken niet langer het eigen vermogen maximaal 33 keer kunnen uitlenen maar nog maar 10 keer. Anders gezegd: het eigen vermogen als percentage van het balanstotaal moet tenminste 10% zijn, en niet 3% zoals door de Basel III leverage ratio wordt voorgeschreven.

Welke tegenargumenten zijn er?

Ongewogen kapitaalsratio leidt tot perverse prikkels

Het pamflet omschrijft de aanbeveling als volgt in de samenvatting:

Daarnaast moet voor alle systeemrelevante banken een substantieel hogere leverage ratio (= ongewogen kapitaalratio) worden toegepast, denk daarbij aan een percentage van tenminste 10%. Ongewogen kapitaalratio’s zijn namelijk betrouwbaarder als indicator van de stabiliteit van een bank. De hogere leverage ratio kan voor een belangrijk deel worden ingevuld door middel van contingent capital instrumenten (verliesabsorberende obligaties) en moet geleidelijk worden ingevoerd, met een voldoende lange overgangsperiode.

Omdat het voorstel eenzijdig door het SFL is beargumenteerd lijkt het me goed om bij wijze van tegenwicht ook enkele argumenten tegen deze aanbeveling aan te dragen.

Ten eerste zal de leverage ratio, wanneer deze wordt opgetrokken tot een minimum eis van 10%, dominant worden bij de bepaling van het kapitaal. Dat betekent dat de bank gaat sturen op het behalen van de minimum leverage ratio, en niet zozeer van de core tier 1 ratio of total capital ratio, die wel risicogewogen zijn. In Basel III fungeert de leverage ratio als ‘backstop’, een eenvoudig te berekenen bodem die altijd moet gelden. Zo’n randvoorwaarde is iets anders dan wanneer je afdwingt dat er ook op gestuurd gaat worden. Die sturing kan beter gebeuren op een risicogewogen manier.

De risicogewogen sturing betekent dat het aan te houden bufferkapitaal, dat voor een bank de duurste manier van funding is, hoger is voor risicovolle leningen dan voor leningen met een laag risico. ‘Risicovol’ betekent in deze context: een lage Probability of Default (PD), dus een lage kans dat de klant niet meer aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen kan voldoen binnen een jaar, en/of een lage Loss Given Default (LGD), dus de aanwezigheid van een zekerheid die de hoofdsom van de lening afdekt en liefst nog iets meer (bijvoorbeeld een onderpand als een woninghuis of een investeringsportefeuille).

De risicosturing leidt ertoe dat de bank niet zozeer alle risico’s uit de weg gaat, maar dat er een hogere prijs wordt gevraagd naarmate de lening meer riskant is. De extra rente is dekking voor de kosten van dat stukje van de kapitaalsbuffer dat vanwege die ene lening moet worden aangehouden.

Wat gebeurt er nu bij een ongewogen ratio? In dat geval is de dekking voor de kapitaalsbuffer even groot voor de risicoloze lening als voor de risicovolle lening. Dat is niet zo’n goed idee. Het gevolg is dat de bank zijn rendement over het eigen vermogen kan maximaliseren als het juist kiest voor hoge-risicoleningen met een hoge rente. Het brengt dus een perverse prikkel met zich mee.

Dat deze perverse prikkel zich ook daadwerkelijk voordoet in de praktijk is bewezen in het verleden en dat heeft er juist toe geleid dat Basel I vanaf 2005 is vervangen door Basel II. In Basel I hadden alle leningen van hetzelfde type hetzelfde risicogewicht. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld alle woninghypotheken 50% risicogewicht hadden en alle bedrijfsleningen 100%. Basel II is juist in het leven geroepen om risicodifferentiatie af te dwingen binnen deze categorieën. Daarmee is het systeem ontstaan waarbij voor elke lening een PD en LGD vastgesteld dienen te worden die, met de exposure (zeg maar de hoofdsom van de lening), het risico van de lening bepalen. En daarmee ook het benodigde kapitaal.

Ik deel niet de scepsis van het SFL rond de betrouwbaarheid van de risicogewogen indicatoren. Er wordt onder meer gewezen naar de studie van (Bank of England) A.G. Haldane, ‘The dog and the Frisbee’, die ik onvoldoende overtuigend vind.

Het SFL weegt onvoldoende mee dat het gebruik van geavanceerde modellen (Basel II AIRB modellen, advanced internal rating based modellen) geconditioneerd is aan allerlei checks-and-balances zoals onafhankelijke validatie binnen de bank en goedkeuring door de toezichthouder.

Het pleiten voor een ongewogen ratio zet daarom de klok met meer dan 20 jaar terug, naar het Basel I tijdperk, en het leidt bovendien tot een perverse prikkel.

Ophogen kapitaalseisen

Het fors ophogen van de kapitaalseisen zal betekenen dat banken nog meer extra kapitaal moeten aantrekken dan nu al het geval is om aan Basel III te kunnen voldoen. De meest recente QIS studie (Quantitative Impact Study) spreekt van een hoeveelheid nog op te halen Tier 1 kapitaal van bijna €400 miljard voor de 209 Westerse banken die aan de monitoring deelnemen. Daarmee wordt een core Tier 1 ratio gehaald van net 7% en een leverage van 3%. Om tot 10% te komen zal een extra hoeveelheid kapitaal nodig zijn van minstens hetzelfde bedrag van €400 miljard.

Dat zal moeilijk aan te trekken te zijn. De enige mogelijkheid zal dan uiteindelijk liggen in het reduceren van de balans, wat onherroepelijk leidt tot een ‘credit crunch’ en een negatieve impact op de economische groei. Deze nadelige economische effecten doen zich al voor bij het groeitraject naar de volledige implementatie van Basel III per 1 januari 2019. Hierop is niet alleen door de bankenlobby gewezen maar ook door het Basel comité zelf in 2010 in een macro-economische impact studie.

Het SFL wijst ook op het aantrekken van contingent convertible kapitaal. Hiervoor wordt ook gepleit in een EU consultatie ronde en in het rapport van de Liikanen werkgroep. Grote vraag hier is nog: hoe kan contingent convertible capital zowel een tijdstrigger voor conversie hebben die voldoende tijdig is, alsook robuust zijn voor een speculatieve aanval (zie hier voor meer details en bronnen).

Ook op dit punt is dus het SFL pamflet niet overtuigend.

Advertenties

Over Folpmers
Financial Risk Management consultant, manager van een FRM consulting department, bijzonder hoogleraar FRM

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s