Premievrijval geeft economie oppepper, inkomen heeft wel degelijk invloed op bestedingen

Onlangs (14 mei 2013) berichtte De Nederlandsche Bank (DNB) dat de beperking van het Witteveenkader de economie een ‘oppepper’ kan geven.

De voorgenomen inperking van het Witteveenkader beperkt de fiscaal aftrekbare maximale pensioenopbouw. In het Regeerakkoord is afgesproken de maximale fiscaal vriendelijke opbouw te verlagen van 2,25% per jaar naar 1,75% in 2015. Ook zal over inkomens hoger dan een ton niet langer fiscaal vriendelijk pensioen kunnen worden opgebouwd.

Volgens de analyse van DNB dient de beperking van het Witeveenkader niet alleen een bezuinigingsdoelstelling, maar kan het ook de bestedingen stimuleren wat goed is voor de economie. Vandaar de term ‘oppepper’.

DNB redeneert namelijk dat er per jaar circa EUR 9 miljard aan pensioenpremie vrijvalt. Deze vrijval kan volgens DNB worden teruggesluisd naar de werknemers in de vorm van een hoger loon. Volgens DNB zou dit zowel voor het werkgevers- als voor het werknemersdeel gelden. DNB stelt in dit kader:

Aldus zou een substantiële en permanente impuls aan de koopkracht van huishoudens worden gegeven.

DNB ziet in het terugsluizen van de EUR 9 miljard een mogelijkheid om de economie aan te jagen zonder de overheidsbegroting te belasten. De effecten heeft DNB doorgerekend met het macro-economische DELFI model. De analyse is niet onomstreden zoals beneden zal blijken.

DNB komt tot de volgende gunstige uitkomst:

Na een periode van vier jaar ligt het consumptievolume 2,3 procent hoger, en de economie als geheel 0,6 procent (zie tabel). Aangenomen is dat de vrijvallende premies (na belasting) volledig ten goede komen aan de werknemers. Doordat alle pensioenpremies onderdeel van de loonruimte vormen, gaat een dergelijke loonsverhoging niet ten koste van de internationale concurrentiepositie. Dit is een groot voordeel, gezien het open karakter van de Nederlandse economie. Van belang is verder dat de maatregel meteen tot extra belastingopbrengsten voor de overheid leidt. Het EMU-saldo verbetert daarmee aanzienlijk; uiteindelijk zelfs met meer dan 1 procent van het BBP, mede door het groeiversterkende effect van de maatregel.

Te goed om waar te zijn

De analyse van DNB is volgens de hoogleraren Roel Beetsma en Sweder van Wijnbergen te mooi om waar te zijn (FD, 16 mei 2013; ook beschikbaar op de economensite Me Judice).

Zij stellen dat DELFI de plank misslaat en dat er geen sprake kan zijn van een oppepper als gevolg van de beperking van het Witteveenkader:

Behalve de negatieve effecten van de stagnatie in het eurogebied zijn het vooral de enorme onzekerheid en het daarmee gepaard gaande lage vertrouwen die onze economie ondermijnen. Veranderingen van gedrag als gevolg van gedaald vertrouwen zijn niet expliciet opgenomen in het Delfi-model, waardoor deze de door rekeningen niet beïnvloeden. Het vertrouwen wordt ondergraven door onzekerheid, onder andere over baanbehoud. Maar een gebrek aan vertrouwen wordt niet opgelost door een tijdelijke en beperkte stijging van de lonen. In het huidige klimaat zal loonstijging voor een groot deel leiden tot afbouw van schulden.

In bovenstaande redenering wordt dus betoogd dat een (structurele) loonimpuls niet leidt tot een significante stijging van de binnenlandse vraag. De hoogleraren gaan er dus van uit dat de inkomenselasticiteit van de vraag bijna nul is.

Het is DNB zelf die de opening heeft gegeven voor deze repliek:

Bovendien is het denkbaar dat werknemers – vooral die met hoge inkomens – de beperking van de verplichte pensioenopbouw deels zullen compenseren met extra vrijwillige besparingen.

Hoezo geen inkomenselasticiteit van de vraag?!

In dit verband vraag ik mij af: waar baseren de hoogleraren zich op?

Kijken wij immers naar de historische samenhang tussen inkomen en consumptie dan is deze aanzienlijk.

Op basis van CBS data zijn in onderstaande figuur het reëel beschikbare inkomen van huishoudens afgezet tegen de consumptie door deze huishoudens (y-o-y verandering per kwartaal).

 

Real Disposable Income and Consumption by Households (% y-o-y change). Source: CBS

Real Disposable Income and Consumption by Households (% y-o-y change). Source: CBS

Uit de figuur blijkt onmiskenbaar dat de relatie tussen beschikbaar inkomen en consumptie groot is. De relatie is zowel in economisch gunstige als ongunstige tijden duidelijk waarneembaar (R2 > 70%).

Ook nadat de grootste daling bereikt was (begin 2009, het consumentenvertrouwen was toen historisch laag), nam de daling van zowel inkomen als consumptie af.

‘Oppepper’

De figuur ondersteunt duidelijk de analyse van DNB. Het beperken van het Witteveenkader en het terugsluizen van de premievrijval zodat werknemers een structureel hoger loon krijgen, hebben een gunstig effect op de particuliere bestedingen en daarmee de economie als geheel. DNB spreekt terecht van een ‘oppepper’.

Advertenties

Over Folpmers
Financial Risk Management consultant, manager van een FRM consulting department, bijzonder hoogleraar FRM

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s