Nieuwe FTK is eerder stap terug dan stap vooruit

Wat moeten ze op het Ministerie van Sociale Zaken gelachen hebben toen ze dit opschreven in de Memorie van Toelichting (25 juni 2014) die hoort bij het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader (FTK; p.13):

De gekozen aanpak werkt materieel hetzelfde uit als het sturen op de reële dekkingsgraad in het eerder beoogde, nieuwe contract. Voordeel is dat gewerkt kan blijven worden met een objectief vaststelbare discontovoet.

Nu zal niemand ontkennen dat de rentecurve waarmee het reële contract contant gemaakt moet worden uiterst lastig is vast te stellen. Bij het reële contract gaat men namelijk uit van volledige indexatie die als afslag op de rekenrente in mindering wordt gebracht. Aangezien men dan rekent met het verwachte rendement kan dit rendement in meerdering worden gebracht. Vooral dat laatste is moeilijk: er is eigenlijk geen curve voorhanden voor de zogenaamde equity premium.(1)

Maar dat betekent nog niet dat dan de rekenrente van het nominale contract meteen ‘objectief vaststelbaar’ is. De rekenrente is verre van ‘objectief vaststelbaar’ en dat maakt de genoemde passage in de Memorie van Toelichting zo onzinnig.

UFR systematiek zeker niet ‘objectief vaststelbaar’

De Memorie van Toelichting gaat zelf nader in op de vaststelling van de rekenrente met behulp van de Ultimate Forward Rate (UFR). Zoals eerder belicht is deze vaststelling verre van objectief; hieronder het lijstje van de voornaamste manco’s:

  • De methode is gebaseerd op de Smith Wilson methode die door CEIOPS/EIOPA is beschreven in de QIS 5 studie. De methode wordt sinds september 2012 gebruikt. De QIS 5 studie wordt aangehaald in de Memorie van Toelichting (noot 42). Grote probleem is echter dat deze studie een aantal tekortkomingen heeft zoals een onvoldoende onderbouwing van het reële rentedement van 2,2% en een verwijzing naar een studie van Thomas & Marré als een toepassing van de UFR methodiek op de Australische rentecurve, terwijl hun studie daadwerkelijk gaat over de Zuidafrikaanse yield curve. Een totaal ander renteregime dan dat waarin wij in Nederland de UFR toepassen.
  • DNB heeft zelf op de CEIOPS/EIOPA methode voortborduurt. De methode van DNB komt erop neer dat er een vector met gewichten is samengesteld die vanaf het 20-jaars punt de UFR (DNB hanteert ook een waarde van 4,2%) een steeds groter gewicht geeft ten opzichte van de actuele swap rente voor elke gegeven looptijd vanaf 20 jaar. Bij een looptijd vanaf 61 jaar is het gewicht voor de UFR gegroeid naar 1. Omdat DNB bij het berekenen van de gewichten de rentetermijnstructuur (RTS) aanhoudt van september 2012 (het moment van invoering) blijven er in de actuele RTS dus ook elementen aanwezig van dat moment en de parameters (zoals de convergentieparameter) die toen zijn toegepast bij het bepalen van de convergentie naar 4,2%. Daarmee is de rekenrente een potpourri van informatie geworden.
  • De Memorie van Toelichting vermeldt dat vanaf 2015 DNB de methode gaat gebruiken zoals deze is beschreven door de Commissie UFR. In hun (aangepaste) advies wordt weer een andere convergentieformule gehanteerd en een andere, lagere UFR, namelijk 3,9%. Hoe men op deze waarde is gekomen is (wederom) onnavolgbaar: het is het 10-jaars gemiddelde van de 20-jaars forward rate. Zoals eerder aangegeven ontbreekt hiervoor elke economische rationale. Waarom zou de forward voor zeer lange looptijden, dus per definitie ruim na het 20 jaars punt waar de smoothing moet beginnen, weer uitkomen bij het begin van de smoothing periode?

De UFR methode is dus een gedrocht en we kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is geweest van een doelredenering: het kunstmatig ophogen van de rekenrente kwam onder meer de regering goed uit om zo in moeilijke tijden (lage rendementen, lage rente, oplopende levensverwachting) de dekkingsgraden van de pensioenfondsen wat op te trekken.

Kennelijk blijft het Ministerie in zijn eigen mythes geloven als het de toepassing van de UFR methodiek in combinatie met het hanteren van de beleidsdekkingsgraad (gemidddelde dekkingsgraad over de afgelopen 12 maanden) ‘verkoopt’ als ‘een meer stabiel toetsingskader’. (p.27)

Andere problemen met het nieuwe FTK

Maar er zijn meer redenen om te stellen dat het nieuwe FTK eerder een stap achteruit is dan vooruit. In onderstaande tabel staan de voornaamste maatregelen van het nieuwe FTK (zie hoofdstuk 4 van de Memorie van Toelichting, p. 15):

Uitgangspunt Uitwerking Maar…:
Heldere communicatie mbt risico’s
  • Indexatiebeleid
  • Financieel crisisplan
Het helder communiceren over het pensioen is natuurlijk prima, maar het blijft een nominaal contract dat geldillusie veronderstelt bij de deelnemers. En worden de deelnemers ook helder geïnformeerd ten aanzien van de werking van de doorsneeproblematiek?
Spreiding van financiële schokken
  • Geen ‘kruiend ijs’ meer
  • Schokken uitsmeren over 10 jaar
  • Jaarlijks nieuwe 10-jaars periode
Het uitsmeren van herstelmaatregelen over een periode van 10 jaar voorkomt dat er snel bijgestuurd moet worden (eventueel met kortingen) aan het eind van een herstelperiode. Het systeem waarbij er echter steeds opnieuw een periode van 10 jaar kan aanbreken, heeft echter als risico dat kortingen te lang naar voren kunnen worden geschoven. DNB wijst hier ook op in zijn brief van 6 februari 2014 en stelt dat het ‘risico op langdurige onderdekking’ groter wordt
Duidelijke en eerlijke indexatieregels
  • In de praktijk pas bij dekkingsgraad vanaf 110% indexatie
  • Volledige indexatie pas vanaf 130%
Het nieuwe FTK zet duidelijk in op vaste nominale aanspraken met een hoog zekerheidsniveau (97,5%). In de praktijk zullen pensioenfondsen eerst gedurende langere tijd buffers moeten opbouwen alvorens ze tot enige indexatie kunnen overgaan
Een stabiele kostendekkende premie
  • Premiestabiliteit met behulp van 10-jaars rentemiddeling
  • Premiedemping door te rekenen met verwacht rendement onder voorwaarden toegestaan
Het nieuwe FTK is ambivalent bij het toepassen van het verwachte rendement. Bij het bepalen van de dekkingsgraad is de nominale zekerheid het uitgangspunt (tot een niveau van 97,5%), terwijl, onder voorwaarden, de premie gedempt mag worden met het verwachte rendement
Robuuste sturingselementen
  • Sturen op de beleidsdekkingsgraad (12-maands gemiddelde dekkingsgraad)
  • RTS met UFR
Op de UFR is bovenstaand voldoende ingegaan, wel kunnen we hier nog wijzen op het feit dat een stapeling aan smoothing methodieken wordt gehanteerd. Ook dit komt rommelig over

Het geheel aan maatregelen is rommelig (nominale zekerheid met reële elementen, stapeling van smoothing methodieken) en inconsistent: enerzijds wordt ingezet op nominale zekerheid bij het berekenen van de dekkingsgraad (tot 97,5%), anderzijds kan de premie onder voorwaarden gedempt worden met het verwachte rendement. Interessant is wat DNB hierover schrijft in zijn reactie van 1 april 2014:

Met name maken we ons zorgen over de consistentie tussen premiehoogte en opbouw van aanspraken, die in het ftk met een hoge mate van nominale zekerheid (97,5%) in het vooruitzicht worden gesteld. Structureel een te lage premie-inleg, door te anticiperen op onzekere rendementen, ondermijnt de effectiviteit van het solvabiliteitstoezicht.

Het CPB is ook stellig in zijn afwijzing van deze ambivalentie en noemt het allemaal ‘minder fraai’:

Er blijft een zekere spanning tussen de ambitie van veel fondsen om aandelen- en renterisico te nemen en de vereiste van nominale zekerheid. Het gebruik van verschillende discontovoeten voor de bepaling van de verplichtingen, de premie en de houdbare indexatie is met het oog op de gewenste stabiliteit van de premie en het aanpassingsvermogen aan financiële schokken wel te verdedigen, maar conceptueel gezien minder fraai.

Ontreddering vierde pijler

Kijken we naar het nieuwe FTK in combinatie met ontwikkelingen in de vierde pijler (spaargeld, beleggingen, een hypotheekvrije woning) en echte hervorming van het systeem dan valt het complete gebrek aan regie van de staatssecretaris op.

De staatssecretaris lijkt zich te beperken tot procedurele uitspraken: er moet een discussie worden gevoerd, een ‘open dialoog’, taboes mogen best worden doorbroken, we willen niet alleen de sociale partners horen maar ook de jongeren- en ouderenorganisaties…

Dit lijkt me toch echt ondermaats en meer sturing uit de ontreddering is heel erg nodig.

Ten aanzien van de vierde pijler: een afgelost huis op pensioengerechtigde leeftijd is natuurlijk altijd prima. Maar hoe zit het met het beleenbaar maken van het huis als aanvulling op het pensioen? Is een ‘reverse mortgage’ interessant daarvoor? De taskforce verzilveren is hier positief over en stelt:

De Taskforce Verzilveren constateert dat verzilveren van overwaarde in Nederland nog in de kinderschoenen staat. Een ruimer aanbod van verzilverproducten zou wenselijk zijn, gezien de behoefte onder ouderen om zelfstandig in het eigen huis te blijven wonen en het streven van de overheid om ouderen zo lang mogelijk thuis zelfredzaam te laten zijn.

Ander onderzoek, van professor Johan Conijn in maart 2014, stelt echter dat verzilveren vrijwel niets oplevert.

Wat is de visie van de staatssecretaris? Is het verzilveren van de woning een nuttige aanvulling op het pensioen? In plaats van sturing te geven rond de vierde pijler is de staatssecretaris vastgelopen in de moestuin.

Andere bedreigingen

En dan zijn er nog de bedreigingen van buitenaf. Zoals plannen om vermogensbelasting te gaan heffen over het pensioen. Hier kunnen we kort over zijn: niet doen.

In het FD van 3 juni 2014 stelt professor Bas van Bavel, hoogleraar in Utrecht, dat de belasting op vermogen omhoog moet. Aanleiding is het recente WRR rapport waarin wordt gesteld dat het vermogen in Nederland tamelijk ongelijk is verdeeld (10% van de rijken heeft 61% van het vermogen).

Van Bavel stelt dat de grondslag voor de vermogensbelasting breder moet worden. Hij denkt daarbij aan ‘de eigen woning en het vermogen van de pensioenfondsen’. Dat laatste is natuurlijk opmerkelijk aangezien pensioen uitgesteld loon is en bij uitkering wordt belast.

Bijzonder is ook dat de WRR zelf de argumenten noemt waarom pensioenrechten een ‘fundamenteel andere categorie’ zijn dan private vermogens. Het is volgens de WRR uitgesteld loon, de pensioenuitkeringen houden op bij overlijden, de rechten zijn niet overdraagbaar of verkoopbaar en de deelnemers kunnen niet vrij beschikken over hun geld.

Een andere bedreiging is het opleggen van allerlei restricties aan pensioenfondsen, zoals de eis dat ze meer binnenlands moeten investeren. Ook dat is een slecht idee. Het is namelijk de missie van een pensioenfonds om binnen het risicoprofiel een adequaat rendement ten behoeve van de deelnemers te behalen en niet om te fungeren als een Nederlands stimuleringsfonds.

Een derde bedreiging is de steeds verder doorzettende vergrijzing. Het CBS stelt op 23 juni 2014:

Mannen en vrouwen in ons land zullen naar verwachting steeds langer leven. Volgens de CBS prognose uit 2013 ligt in 2030 de levensverwachting van mannen bijna 4 jaar hoger dan in 2009-2012, bij vrouwen gaat het om ruim 2 jaar meer.

Het nieuwe FTK bevat echter geen expliciet aanpassingsmechanisme voor een wijziging van de levensverwachting en dat was tegen de zin van DNB in. (Memorie van Toelichting, p. 36) De reden voor het niet opnemen van een expliciet levensverwachtingsaanpassingsmechanisme is het invaarrisico. De Memorie van Toelichting verwijst naar de herstelplansystematiek om toenames in levensverwachting te accommoderen. Het proactief onderkennen en accommoderen van een toenemende levensverwachting staat hier ver vanaf.

De vierde bedreiging vormt natuurlijk de afkalvende steun voor de doorsneesystematiek, waarbij jongeren de dupe zijn, zeker als zij tussen hun 30ste en 45ste zelfstandig worden en laat dat nu precies de leeftijd zijn waarop het aantal ZZP’ers als percentage van de werkzame bevolking een steile stijging laat zien.

Naar een beter stelsel

Het afschaffen van de doorsneesystematiek ten faveure van een stelsel met individuele rekeningen zou veel problemen oplossen, waaronder het probleem van de rekenrente. Het is echter niet zo eenvoudig om van de ene op de andere dag een nieuw stelsel te starten.

Het pensioenrapport van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA (Januari 2014) gaat uitgebreid in op de problematiek van een transitie naar een collectief individueel Defined Contribution systeem. (hoofdstuk 4) Het is een van de beste en meest eigentijdse bijdrages aan de pensioendiscussie van de afgelopen jaren.

Het rapport laat zien dat bij een transitie naar een actuarieel neutrale opbouw de deelnemers tussen de 35 en 55 jaar het meest benadeeld zouden worden. Hier zal bij een daadwerkelijke overgang compensatie voor moeten worden gevonden. Het punt is nu dat de hoeveelheid benodigde compensatie mede afhankelijk is van de rente. Het Wetenschappelijk Instituut van het CDA stelt vervolgens:

Bij een lage discontovoet is relatief weinig overslag nodig binnen de doorsneeopbouw. Hierdoor is dus ook de noodzakelijke compensatie lager.

Op dit moment is de rente laag. Maar als in de toekomst de rente gaat stijgen, stijgen ook de kosten die gemoeid zijn met de overgang naar een beter systeem.

Van transitie is met het nieuwe FTK natuurlijk geen sprake, het is volledig verankerd in de oude wereld, met doorsneesystematiek en nominale zekerheid (tot 97,5%), binnen een context van volslagen ontreddering en gebrek aan regie van de kant van Ministerie. Het nieuwe FTK is eerder een stap terug dan een stap vooruit.

(1)Deze redenering en toelichting op de reële rekenrente is terug te vinden in de Memorie van Toelichting op p.7.

Advertenties

Over Folpmers
Financial Risk Management consultant, manager van een FRM consulting department, bijzonder hoogleraar FRM

3 Responses to Nieuwe FTK is eerder stap terug dan stap vooruit

  1. Jan Karman says:

    Er is eigenlijk maar één (onmogelijke) methode: de toekomstige rente stellen op 0%.
    Je kunt dan het onverhoopte rendement gebruiken voor bescherming van de inflatie – mocht die zich voordoen.
    Maar wie zal dat betalen? Elk half procent in rente scheelt immers 5% in de opbouw.

    Of voor het hemogeniseren van het langlevenrisico. Welke actuaris zou daarniet van gruwen?
    Moer hoe dan ook, zeker is dat we ouder worden – niet hoeveel en/of in welk tempo. Wat je ook uit verkregen gegevens destilleert, grof of fijnzinnig, hoe recent ook, het sterfterisico voor de hoge leeftijden wordt te laag ingeschat.

  2. Jan Karman says:

    svp. lees voor “hemogeniseren” “homogeniseren”.

  3. Lieke Werner says:

    Voor een andere visie op reverse mortgages zie de thesis “Equity Release to supplement pension: risk analyses of reverse mortgages” http://www.ag-ai.nl/view.php?action=view&Pagina_Id=554

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s