Pensioenfondsen moeten cadeautje teruggeven via lagere UFR

In juli 2015 heeft DNB een update gepubliceerd ten aanzien van de UFR. DNB is voornemens een UFR van 3,3% te hanteren ten opzichte van de sinds de invoering in 2012 gehanteerde 4,2%. Dat betekent dat de forward rate vanaf het last liquid point (vanaf 20 jaar) convergeert naar het lagere punt van 3,3% in plaats van 4,2%. De rentermijnstructuur (RTS) convergeert ook naar dit lagere punt, zij het langzamer dan de forward rate.

Een lagere curve betekent een hogere contante waarde van de verplichtingen en een lagere dekkingsgraad. In zeker zin is het “cadeautje” dat de pensioenfondsen in 2012 is gegeven, weer ingenomen.

RTS, RTS met UFR = 4,2% en RTS met UFR = 3,3%

RTS, RTS met UFR = 4,2% en RTS met UFR = 3,3%

Wat mij nog intrigeert is hoe DNB aan de waarde van 3,3% is gekomen. Het zou conform het advies van de commissie UFR het 10-jaars gemiddelde van 20Y forward rate kunnen zijn. De toelichting van DNB stelt echter iets anders:

Voor de methodiek van vaststellen van de UFR is relevant dat de beleidsdekkingsgraad beoogt de afhankelijkheid van dagkoersen te verminderen. Een soortgelijk effect was beoogd met de middeling van de Last Liquid Forward Rate die onderdeel was van de UFR methode van de Commissie UFR. Tegen deze achtergrond besluit DNB de UFR methode van de Commissie UFR aan te passen, door de middeling van de LLFR te laten vervallen. Dat maakt de aangepaste UFR methode wat eenvoudiger dan in het geval de UFR conform de Commissie UFR in zijn geheel was overgenomen.

Dit citaat suggereert dat de 10-jaars middeling van de “last liquid forward rate” niet meer toegepast hoeft te worden omdat de (beleids-)dekkingsgraad zelf al gemiddeld wordt over een geheel jaar. Maar vervolgens is de vraag: hoe komt DNB dan aan de nieuwe UFR van 3,3%? Het kan niet de actuele 20Y forward rate zijn want die is 1,8%.

Onzekerheid over dit soort vragen brengt beleggingsonzekerheid en hedging onzekerheid met zich mee. Zeker als die UFR met methodeherzieningen plotseling met 90 bp naar beneden wordt bijgesteld naar 3,3%. De toezichthouder draagt daarmee niet bij aan de beoogde reductie in gevoeligheid voor schommelingen.

Advertenties

Over Folpmers
Financial Risk Management consultant, manager van een FRM consulting department, bijzonder hoogleraar FRM

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s